Inferno
Dan Brown
Hoewel ze in haar leven al heel wat angstaanjagende dingen had gezien, werd ze doodsbang van de raadselachtige film die Bertrand Zobrist had gemaakt voordat hij zelfmoord pleegde.
Op het scherm voor haar trilde de schaduw van een gesnaveld hoofd, die op de druipende muur van een ondergrondse grot was geprojecteerd. Het silhouet stak een hele redevoering af en beschreef trots zijn meesterwerk, dat hij ‘Inferno’ noemde en dat de wereld zou redden door de bevolking te decimeren.
God sta ons bij, dacht Sinskey. ‘We moeten…’ zei ze met trillende stem, ‘we moeten die ondergrondse plek vinden. Het is misschien nog niet te laat.’
‘Blijf kijken,’ antwoordde de provoost. ‘Het wordt nog vreemder.’
De schaduw op de natte muur werd groter. Het enorme ding bleef even hangen en toen kwam er opeens een gestalte in beeld.
Godallemachtig.
Sinskey staarde naar de pestdokter, compleet met zwarte mantel en ijzingwekkend snavelmasker.































































